dethemedetheme
lobbyende ambtenaren

by admin

Alle pijlen op het rijk. Over lobbyende ambtenaren in de gemeente

Hoe decentrale overheden hun belangen in Den Haag behartigen. 

Het Rijk stoot steeds meer taken af. Alleen al met de huidige decentralisatie-operatie is zo’n 15,6 miljard euro gemoeid. Hoe krijgen provincies, gemeenten en waterschappen hun belangen voor het voetlicht? Do’s en don’ts voor de lobbyende ambtenaar. Den Haag heeft behoefte aan oplossingen uit de praktijk.

Lobbyen is een ondankbaar vak, stelt Commissaris van de Koningin van Overijssel Ank Bijleveld in haar afscheidsspeech bij het vertrek van Ed Figee. ‘Het afbreukrisico is groot. Mislukt het, dan krijg je kritiek. En slaagt de lobby, dan laat de verantwoordelijk bestuurder zich natuurlijk graag op het podium hijsen,’ aldus de voormalig staatssecretaris van Binnenlandse Zaken.

Een goede lobbyist kent zijn plaats, beaamt Figee, die elf jaar lang als public affairs-ambtenaar actief was voor de provincies Gelderland en Overijssel. ‘Het lobbyen voor de overheid brengt een speciale dimensie met zich mee. Ik was slechts een uitvoerend ambtenaar en heb me altijd dienstbaar aan mijn bestuurders opgesteld. Als je zelf in de spotlights wil staan, moet je hier niet voor kiezen. Haantjesgedrag is uit den boze. Niet jij, maar jouw bestuurder moet scoren.’

Twee jaar na zijn afscheid werkt Figee nu voor de Universiteit Twente aan zijn proefschrift over de rol van public affairs-ambtenaren van decentrale overheden binnen de Haagse en Brusselse arena. De ervaring en contacten die hij tijdens zijn carrière heeft opgedaan, komen hem daarbij goed van pas. De Hanzelijn, het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT), de Nationale Politie. Zomaar een greep uit de onderwerpen waar Figee zich de afgelopen jaren namens Overijssel en Gelderland voor heeft ingezet.

Inhoudelijke expertise

Het provinciaal lobbyhuis aan Plein 20 en het IPO-kantoor waren zijn Haagse uitvalsbases in die tijd, maar iedere maandag vergaderde hij – de ene week met ‘Zwolle’, de andere met ‘Arnhem’ – over de lopende dossiers. ‘Tijdens dit overleg beslisten we wie er wanneer naar Den Haag zou komen,’ vertelt Figee. ‘Het ging dan niet alleen om de bestuurders, maar ook om de inhoudelijke experts. De dossierhouder spoor was natuurlijk veel beter op de hoogte van de laatste stand van zaken dan ikzelf. Coördinatie is in dit vak enorm belangrijk en het is de kunst te bepalen wat het juiste moment is om informatie naar voren te brengen.’

De voormalig lobbyist voor Oost-Nederland ziet public affairs (PA) bovenal als een strategische managementdiscipline, een term die hij graag ‘leent’ van zijn copromotor Paul Linders. Figee: ‘Het is een vaardigheid die vooral op het managementniveau een rol speelt en dus ook in het leidinggeven verankerd moet zijn. Zorg dat bestuurders het fenomeen begrijpen. Anders ben je nergens als lobbyist.’ Bovendien, wethouders en gedeputeerden komen en gaan. Ook een burgemeester en Commissaris van de Koningin zitten er niet voor eeuwig. Die politieke wispelturigheid vraagt om een continuïteit in adviseurs die het nieuwe bestuur begeleiden en inwijden in de taal van de public affairs, aldus Figee.

‘Het gaat hierbij om een containerbegrip,’ benadrukt hij. ‘Het bekendste PA-instrument is natuurlijk de lobby, maar ook reputatiemanagement, een goede stakeholdersanalyse en issuemanagement maken hier onderdeel van uit. Eigenlijk zou iedere lobbyende ambtenaar moeten beschikken over dat zesde zintuig voor maatschappelijke vraagstukken.’

Figee spreekt over een ‘gepaste kameraadschappelijkheid’ tussen de PA-ambtenaar en de bestuurder. De positie die deze ambtenaar binnen de organisatie inneemt, is volgens hem van groot belang. Maar een plek dicht op het bestuur is niet voldoende: de PA-ambtenaar moet kunnen rekenen op het gezag en het vertrouwen van alle afdelingen. ‘Als lobbyist moet je het aandurven een dossier – al dan niet tijdelijk – van tafel te halen om te voorkomen dat een lobby stukloopt. Het is zaak dat mensen binnen je organisatie begrijpen waarom je zoiets doet.’

Postillon d’amour

Ook Erik van Venetië, auteur van Het grote lobbyboek, geeft aan dat het lobbyen voor de publieke zaak een bijzondere dimensie met zich meebrengt. Hij maakt onderscheid in drie rollen voor de overheidslobbyist: de overtuiger (oftewel de ‘echte’ lobbyist), de onderhandelaar (zeldzaam) en de verbindingsman- of vrouw. Deze laatste rol bestempelt Van Venetië ook wel als postillon d’amour; een liefdesbode die met gepaste afstand de boodschap overdraagt en in discretie personen bij elkaar brengt. ‘Een romantisch beeld,’ erkent hij. ‘Maar het is een zeer bruikbare metafoor: lobbyende ambtenaren fungeren steeds vaker als verbindingsofficier.’

Vooral deze laatste rolopvatting waarin de ambtenaar als oliemannetje of -vrouwtje optreedt, wint volgens Van Venetië terrein. ‘Als relatiemanager is de PA-ambtenaar het voorportaal van de bestuurder,’ stelt de lobbyadviseur bij Berenschot, die regelmatig cursussen verzorgt voor gemeenteambtenaren om zich beter te positioneren in het Haagse. ‘Hij of zij legt contacten met andere overheden en partijen in de samenleving zodat informatieuitwisseling tot stand komt, en schaalt deze op naar hun politieke baas als dit nodig is.’

Lobbyen is een zaak van lange adem. ‘En bij de overheid moet die vaak nog net wat langer zijn dan bij andere organisaties,’ stelt Van Venetië. ‘Ambtenaren moeten dat geduld propageren bij hun politieke bazen, dat is soms lastig. Natuurlijk willen wethouders snel resultaat boeken om burgers en de gemeenteraad te laten zien dat ze iets bereikt hebben, ze hebben een beperkte tijdspanne. Maar voor een goede lobby is vier jaar vaak niet genoeg. De verschuivende politieke krachtsverhoudingen maken het moeilijk consequent te blijven en de prioriteiten op tafel te houden.’

Van Venetië erkent dat het niet altijd even makkelijk is om een keuze af te dwingen bij het college van B&W. ‘Maar,’ zegt hij, ‘als ambtenaar voor de publieke zaak kun jij niet bepalen waar lobbygeld en energie naartoe gaan. Dat is aan je bestuurder. Als lobbyende ambtenaar heb je de taak je bestuurders op één lijn te krijgen en met één mond te laten praten. Het belang van die eenheid naar buiten toe wordt nog wel eens onderschat.’

De lobby van de drie Noordelijke provincies in de jaren negentig die resulteerde in de Langman-gelden ziet hij als een goed voorbeeld van waar dit wel is gelukt. ‘De Zuiderzeelijn is er nooit gekomen, maar toch hebben de drie Commissarissen van de Koningin ontzettend veel voor elkaar gekregen,’ zegt de lobbyadviseur. ‘Ze hadden er lol in, waren goed op elkaar ingespeeld en gingen enthousiast, consequent en fanatiek te werk. Dat maakte indruk in Den Haag.’

Kraamkamer

Nu het Rijk steeds meer taken afstoot, neemt het gewicht van de decentrale overheden toe. Onlangs rekende de Raad voor de financiële verhoudingen nog voor dat er met de decentralisaties van jeugdzorg, delen van de AWBZ en taken rond de arbeidsmarkt zo’n 15,6 miljard euro is gemoeid en er tegelijkertijd 6 miljard euro aan besparingen is ingeboekt. ‘Een grootscheepse operatie,’ aldus Van Venetië, ‘daar liggen wel degelijk kansen voor de decentrale overheden.’

De kracht van een lobby zit volgens hem in het bieden van een concrete oplossing. ‘Als je alleen je hand ophoudt, kun je aansluiten achterin de rij. Met een defensieve houding kom je nergens,’ waarschuwt de adviseur. ‘Je moet iets te bieden hebben, Den Haag heeft behoefte aan oplossingen uit de praktijk. Het is veel kansrijker om gezamenlijk een assertieve lobby te starten met eigen plannen en nieuwe samenwerkingsverbanden. Neem bijvoorbeeld de zorg voor ouderen en wonen, daar gebeurt in de praktijk al veel. Deze sectoren worden verbonden door woningbouwcorporaties, zorginstellingen en gemeenten. Dat gaat dwars door de Haagse kokers heen.’

En die nieuwe constructies hoeven niet per se meer geld te kosten. ‘Grote steden zijn de kraamkamer van beleid, ze hebben veel meer in huis dan ze zelf beseffen,’ stelt Van Venetië. ‘Daar zitten ambtenaren dicht op de burgers. Eigenlijk zitten zij aan de tekentafel van beleid. Door onderzoeken uit te voeren en nieuwe samenwerkingen aan te gaan, kunnen zij de uitwerking van beleid zichtbaar maken.’

Ook Figee wijst erop dat er bij de lokale en regionale overheden ‘nog een schat aan bruikbare informatie’ ligt die Den Haag nu nog maar zelden bereikt. ‘Ik sloeg steil achterover toen ik erachter kwam welke kennis op het provinciehuis al aanwezig was en hoe zeer deze geïntegreerd is. Deze ambtenaren weten precies hoe beleidsterreinen zich tot elkaar verhouden. Of het nu gaat om infrastructurele projecten, milieuzaken of ruimtelijke ordening, het is jammer als de departementen van deze nuttige informatie verstoken blijven.’ Een hechtere band tussen de rijksambtenaar en zijn collega’s bij de decentrale overheden zou het beleid ten goede komen, stelt de oud-lobbyist. ‘Er ligt natuurlijk ook een taak bij de decentrale overheden zelf om deze kennis te verzilveren.’

Gelegenheidsteams

Figee en Van Venetië constateren dat er steeds vaker wordt samengewerkt om de belangen van decentrale overheden voor het voetlicht te brengen. ‘De bezuinigingen maken de noodzaak tot samenwerking groter, maar deze trend had zich al ingezet voor de crisis in alle hevigheid losbarstte,’ zegt Van Venetië. ‘We zitten nu in een transitiefase naar een netwerksamenleving waarin partijen voortdurend elkaar beïnvloeden. Een goede PAambtenaar is niet alleen gericht op Den Haag. Als je voor de publieke zaak werkt ga je zowel horizontaal – binnen de samenleving – als verticaal – bij het Rijk – verbindingen aan.’

Dit heeft niet alleen meerwaarde voor de lobbyende ambtenaren van decentrale overheden, ook de rijksambtenaar heeft hier volgens hem profijt van: ‘Dit is een veel effectievere manier van werken. Het heeft voor een DG niet zoveel zin om uitsluitend met een vertegenwoordiger van een grote stad als Utrecht te praten. Die ziet liever een oplossing die door meerdere partijen wordt gedragen.’

Ook Figee signaleert dat decentrale overheden steeds vaker nieuwe partners opzoeken: ‘Er is een hergroepering gaande binnen overheidsland.’ Dat provincies en gemeenten zich daarbij niet beperken tot de landsgrenzen ziet hij als een goede zaak. ‘De Deltaregio is hiervan een prachtig voorbeeld. West-Brabant, Zeeland, Rotterdam en Antwerpen weten hiermee gezamenlijk hun belangen prima op de kaart te zetten,’ aldus de oud-lobbyist.

Dit ‘grensontkennend samenwerken’ – een term die door de Brabantse Commissaris van de Koningin Wim van de Donk werd geïntroduceerd – juicht hij van harte toe. ‘Er is juist behoefte aan onconventionele samenwerkingsverbanden met alle partijen uit de samenleving. Daarmee voeg je echt iets toe op de departementen. In de toekomst zullen we steeds vaker deze gelegenheidsteams zien.’

Bron: PM Public Mission, mei 2013

Bekijk het volledige artikel uit PM Public Mission in PDF

Erik
About Erik
lobbyende ambtenaren
Alle pijlen op het rijk. Over lobbyende ambtenaren in de gemeente